Christus Koning, Jaar A, 26 november 2017, Josephine van Pampus

Schapen en bokken en barmhartigheid

Ezechiël 34;11-17             Mattheüs 25;31-46

 

Amersfoort,      26 november 2017, SFX

Josephine van Pampus 

 

Overweging

 

Herfst. Dreigende luchten, harde wind. Op mijn fiets gistermiddag duik ik weg in mijn jas, af en toe naar boven kijkend: krijg ik die bui om mijn kop? Of ontloop ik de regen? En dan opeens deze week ook weer van de fantastische regenbogen. Overhuivend, overkoepelend, een kleurrijk teken van verbond. Nee. Met al die dreiging – ik ben niet alleen. Zo’n gevoel.

 

En dat is wat de lezingen van vandaag oproepen bij mij – en met mij bij veel anderen. De onrust, de angst ook wel eens: doe ik het goed? Hoor ik straks bij die bokken, waarvan de Eeuwige straks zegt: jij naar links, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen.

Misschien toch iets goed gedaan, kom ik terecht bij de schapen? Waarvan de Eeuwige zegt: kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is.

Is die tekst “Wee jullie herders die je opdracht van herderschap hebt verkwanseld” voor mij?

Maar die regenboog dan?

 

Het zijn beelden die niet te rijmen lijken. De verbindende en de scheidende God. De God die zegt: jij wel, jij niet, en de God die tot op het allerlaatste moment zegt: maar ik ben jouw God, jouw bevrijder en ik wil een verbond met jou. Ik ben je herder. Twee bewegingen die aansporen en troosten: een God die zegt: ik wijs je terecht, maar lief mens bij Mij kóm je ook terecht.

Verbinden en scheiden. Maar wie is het eigenlijk die scheidend is?

Is de scheiding van de bokken en de schapen, de scheiding tussen wel of niet terecht komen niet het resultaat van de scheiding die je zelf in je eigen leven aanbrengt? Omdat je jezelf afsnijdt van God door het gemis van daadwerkelijke liefde jegens de ander – je medemens. En dan vraag ik me wel eens af: moet ik nou bang zijn voor God? Of bang voor mezelf? Of valt dat eigenlijk over elkaar heen?

 

Je komt op de terechte plek voor jou. Op de plek die je in je leven zelf hebt gecreëerd. Je komt thuis op de plaats waar je in je leven warm voor bent gelopen. Waar je verantwoordelijkheid hebt gedragen, waar je mens en medemens bent geweest. Je komt zelf terecht, bij wat je terecht hebt gedaan.

Bij de God, het Heilige, waar alles aan het licht komt wat niet verborgen mag blijven. Al het goede, en al het kwade. Hij wijst naar links en rechts. Maar hij wijst ook in je leven. Hij ziet om naar zijn schapen, brengt ze veilig thuis als ze verstrooid raken. Het zijn beelden die horen bij elkaar en ze vullen elkaar aan. Jij, mens, je krijgt alle mogelijkheden in handen, maar je moet het wel zelf doen. De Eeuwige zal je leiden, maar jíj moet gaan. God kan je wegen van leven laten zien, maar jij zal ze zelf moeten betreden. Je medemens wordt je gegeven, maar jíj maakt of je echt medemens wordt. Of je de vreemdeling wilt zien, de wees wilt ontmoeten en de gevangene bezoekt. De vraag dan zal zijn: waar was je? Zoals aan Kaïn gevraagd is: waar is je broer?

 

Wij zullen kennen zoals we gekend zijn – straks na deze overweging zingen we dit lied. Met de coupletten die in het boekje weggevallen zijn: Ach jullie verlichten, ontrukten, als je niet lief hebt de naaste, je verre naaste geen recht doet; in schaduwen dwaal je maar rond, door kunstlicht je ogen bedorven. Ach wij die God willen zien wij zien het gezicht dat ons aankijkt te ongelegener tijd, wij zien in flitsen elkaar, de liefde die ons beloofd is.

En dan begint het grote wegkijken. De onverschilligheid die aan de wortel ligt van de scheiding tussen goed en kwaad, tussen rechts en links, schaap of bok. De onverschilligheid die jou afsnijdt van Gods liefde. Héb je je medemens ontmoet in je leven? Heb je je verbonden met haar of hem?

Of heb je de zorg en het herderschap voor de ander weg georganiseerd -  in de volle overtuiging goed te hebben gedaan. 

 

En dan snap je er helemaal niets van als God tot jou zegt: “ik zie het niet meer zitten met jou.

Je verkwanselt je taak om herder te zijn voor een ander mens. De zorg besteed je uit, zodat je de mens niet meer hoeft te zien. Je stuurt mensen naar de sociale dienst, die na 5 uur het loket sluit. Je bedenkt dat mensen beter zelf hun boontjes kunnen doppen, zelfredzaam moeten zijn; maar wie dat niet kan laat je verloren lopen en wegvallen tussen wal en schip. Je stuurt mensen naar de crisisopvang van de GGZ omdat je de confrontatie niet aankunt, of naar een verpleeghuis waar je je bezoek minimaliseert. Je stuurt de veroordeelde naar de gevangenis, maar na de straf keer je je nek om als iemand weer terug wil keren in een samenleving met jou.”

En als God dan tegen je zegt: ga maar, ga uit mijn ogen dan snap je er niets meer van. Wanneer hebben we U dan niet gezien? We hebben het toch goed voor met de medemens?

 

Nee. Want dat is het kunstlicht dat onze ogen bederft. Waar zorg wordt weg-geregeld. Waar ontmoeting geen verbinding wordt, waar jouw verantwoordelijkheid voor je medemens wordt verschoven naar systemen en structuur en wij zelf niet meer in het geding komen, dan is daar uiteindelijk die vraag: héb je de hongerige gezien? Héb je de naakte gezien? Héb je de gevangene gezien? Héb je de zieke, de arme gezien?
En dan duik je weg voor de vraag die je ook heeft doen wegduiken voor de ander toen die voor jou stond. Het is het wegduiken dat de scherpste klap is in het gelaat van God.

Daar ontstaat de scheiding, wij zullen kennen zoals wij gekend zijn.

 

Ezechiël eindigt met een belofte van God aan haar volk. ‘’Ik zal een andere herder over ze aanstellen, een die ze wél zal weiden: David, mijn dienaar”.

Die rossige David, zorgvuldig gekozen door de profeet Samuël.  Zijn zeven broers waren niet goed genoeg. Maar David wel. Weggeplukt bij de schapen met de keutels nog onder zijn schoenen, een luit in zijn handen, een stem als een engel en onschuld in zijn ogen. Hij ruikt naar de schapen die hij straks moet gaan hoeden. Alles doet hij in lijn en verbondenheid met de Heer. Hij is de koning die wéét wat herderschap is. Bijna te perfect om op te volgen door ons. Bijna – totdat hij valt voor de schone Batseba, en haar echtgenoot Uria vervolgens de dood in jaagt alleen maar uit begeerte.

Die mens naar Gods hart valt – maar niet uit de handen van God.

 

Leonard Cohen schreef een indrukwekkende ballade over David. U kent het vast: Hallelujah.

The secret chord that pleased the Lord – zo zingt David zijn Prijs de Heer. Hand in hand met God. Totdat hij overmand wordt door zijn begeerte voor de mooie Batseba die hij in het maanlicht ziet baden op het dak. Hij moet haar hebben, ten koste van haar man Uria. He saw her bathing on the roof. En de grote goede David, de Herder bij uitstek die met zijn snaren de Heer heeft behaagd en alle lof heeft gezongen: ook hij valt en zijn Prijs de Heer verandert en verdiept:  The holy or the broken Halallujah. In de gebrokenheid wordt elk mens gekend en het enige dat David nog kan zingen is Hallelujah.

 

Meer dan de angst mag deze lezing ons oproepen om herder zijn voor elkaar. Mag het ons uitdagen om misschien wel te pogen zo goed als God te zijn. En ja, soms zal het niet lukken, de meeste keren draai je je misschien om als de ander voor jou staat. Maar die ene keer, die ene mens, dat ene gebaar wat jou over je eigen grens heeft getild naar de ontmoeting naar de ander. Dat jou uit je eigen comfortzone heeft gehaald om een handreiking te doen naar de ander – het is het begin van een omvorming van jou naar de ander, omdat verschilligheid de leidraad is in het goddelijke plan.
Amen

Hallelujah          Leonard Cohen

Now, I've heard there was a secret chord

That David played, and it pleased the Lord

But you don't really care for music, do you?

It goes like this, the fourth, the fifth

The minor fall, the major lift

The baffled king composing hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

 

Your faith was strong but you needed proof

You saw her bathing on the roof

Her beauty and the moonlight overthrew ya

She tied you to a kitchen chair

She broke your throne, and she cut your hair

And from your lips she drew the hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

 

You say I took the name in vain

I don't even know the name

But if I did, well really, what's it to you?

There's a blaze of light in every word

It doesn't matter which you heard

The holy or the broken hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

 

I did my best, it wasn't much

I couldn't feel, so I tried to touch

I've told the truth, I didn't come to fool you

And even though it all went wrong

I'll stand before the lord of song

With nothing on my tongue but hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

Hallelujah

 

Geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius - 't Zand 31, 3811 GB Amersfoort.
Bereikbaar iedere werkdag van 9.00-12.00 u. tel 033 4721705, of 
email.
Voor dringende pastorale zorg kunt u bellen naar: 06-57541222.