Overweging 8 april 2018 door Josephine van Pampus

Ruimte voor vertrouwen

Handelingen 4;32-35      Johannes 29;19-31

 

Amersfoort, 8 april 2018, SFX

 

Overweging

 

Mindfuck… Misschien ziet u het wel eens op de televisie. Gisteravond was het weer op tv met Victor Mids. Mensen worden misleid, afgeleid, met trucs en tricks, en elke keer weer vraag je je af:
hoe doet hij dat?
Hoe komt het dat er iets gebeurt waar ik met mijn neus bovenop sta, en ik begrijp het niet.
Ik vat het niet, is snap het niet. Je kijkt, en je kijkt nog eens. En heel soms onthullen ze hoe het wordt gedaan. Maar gisteren bleef ik toch wat puzzled achter met de vraag: hoe is hij in godsnaam door die dichte celdeur heen gebroken? Hoe doet hij dat?

 

En hoe doet Hij dat. Die Jezus van Nazareth. Hoe doet Hij dat? Waar breekt Hij bij ons door naar binnen. Hij, die om mij smeekt, maar die ik heb afgeweerd, zolang ik kon. Want te bedreigend, te confronterend. Hoe doet Hij dat dan toch? Door angst heenbreken. Door de teleurstelling, terneergeslagenheid… Hoe doet Hij dat. Hoe breekt Hij door? Wat maakt Hij in los in mensen? Hoe maakt Hij mensen los? Hoe zou Hij mij los kunnen maken?

En ik denk dat daar één woord naadloos op past. Overgave.
Dat is het wat het vraagt. Overgave. Jouw leven uit handen geven, zoals Hij Zijn leven uit handen heeft gegeven. Overgave, geloven, vertrouwen dat zich ergens wel een weg vormt. Ongedacht, een weg die uiteindelijk de jouwe blijkt te zijn.
Hij, die om mij smeekt. Niet sleurde, maar wenkte.
Kóm.

De tekening op het voorkantje van het boekje komt uit het boek “Hij was een van ons”, van Rien Poortvliet. Rien Poortvliet tekende het leven van Jezus, met minimaal uiterst treffende tekst.
Dit is een tekening  - een detail – van de handen van Jezus en Thomas. Fascinerend vind ik het.
De kleine handen van Thomas – dat denk ik tenminste – die in de grote handen van Jezus geborgenheid vinden. In overgave.
Handen die zich onder de zijne openvouwen, die ontvankelijk zijn voor de grote twijfel van Thomas.
Maar nog veel fascinerender is, dat zowél in de handen van Jezus àls in de handen van Thomas de wonden van de kruisdood zijn te zien. De gaten van de nagels die de handen van Jezus hebben doorboord, hebben uiteindelijk ook de handen van Tomas doorboord.

En dat is op en top Johannes. Je kunt de andere evangelisten Mattheus, Marcus en Lucas nog als een gelovige beschrijving lezen en afstand nemen, maar Johannes grijpt je domweg bij je kladden als je die tot je door laat dringen. De pijn, de teleurstelling, de angst, het ongeloof – het wordt onze pijn, teleurstelling, ongeloof en angst. Zoals de wonden van Jezus óók Thomas hebben doorboord en het zíjn pijn wordt. De weinige keren dat Thomas genoemd wordt door de evangelist Johannes wordt duidelijk dat Thomas degene is die tot op het binnenst van zijn eigenste ik met Jezus mee wil gaan. Intens wil voelen, met hart en ziel.


Zo hoor je Thomas bij de opwekking van Lazarus zeggen: Laten ook wij maar gaan , om met hem te sterven;.  Hij wilde meegaan, tot in de dood. En hij is later flabbergasted als hij hoort dat Jezus weg gaat en hij de weg misschien wel eens niet zou weten. Dát kan niet, dat hij, Thomas, de tweeling, misschien wel de tweeling van Jezus. Het is voor Thomas onbestaanbaar níet met Jezus mee te kunnen gaan. In leven, in lijden, in sterven en dood.

 

Steeds weer die intense verbondenheid die Thomas zoekt, die hij wil ervaren, meemaken, en zo zelfs zijn handen in de wonden wil leggen. Niet uit nieuwsgierigheid, en al helemaal niet uit ongeloof, maar uit het diepe verlangen om één te zijn met Christus. Dáár gaat het Thomas om.

Hij wil zijn lijden voelen, hij wil niet blijven bij het droombeeld van die Jezus, hij wil werkelijk de gevolgen zien, ervaren, betasten wat het betekent om die weg te gaan die Jezus is gegaan.

 

Zonder Jezus’ leven, lijden en sterven is Jezus voor Thomas niet opgestaan. Misschien is Thomas hiermee wel de eerste die echt werkelijk begrijpt wat opstanding betekent. Dat dit niet kan zonder Goede Vrijdag in gedachten. Hij is degene die Jezus herkent in, en verbindt met de lijdende mens. Voor Thomas is er geen heelheid zonder de gebrokenheid van het leven onder ogen te zien. Hij is tenslotte de eerste die daadwerkelijk een belijdenis uitspreekt:

Mijn Heer! Mijn God!.

En daarmee zegt Thomas alles. Die o-zo gelovige mens.


En alles wat hem daarvan afbrengt daar zal Thomas zich van afkeren. De bangheid, de onmacht, de verstikkende verslagenheid van de leerlingen in die bovenkamer in het huis, als de onmetelijke dichtheid die geen ruimte meer laat voor wat komen gaat.
Natuurlijk is Thomas daar niet bij. Hoe zou Thomas kunnen? Hij, de tweeling die de éénheid zoekt met Jezus? Hij, die Thomas, is al lang in beweging gekomen waar de anderen verlamd in de kamer een versteend verstoppertjes spel spelen:
Blijf zitten waar je zit, en verroer je niet. Houd je adem in, maar stik niet.

En daar gebeurt het. En zó doet Hij dat. En hén. In jou. In mij.
Met de vrede die Hij in harten zaait. Om wat is gebeurd, om toekomst.

Met de ontferming die Hij als opdracht geeft. Om wat mensen tot leven geeft. Om wat het jou aan leven geeft.
En met het aanbod van de overgave. Omdat dát je enige kans nog is.
Want je màg je adem niet inhouden. Je mag niet stikken. Je hebt de levensadem, de ruach nodig om te kunnen leven. En daarmee grijpt Johannes terug op het beeld van de schepping:
God die de mens uit aarde boetseerde. Maar hem pas levend maakte op het moment dat hij zijn levensadem in de mens blies. Zo blies Jezus over hen, blaast Hij over ons.
Levensadem, want zonder kán je niet.
Dan versteen je. Verstik je. Je kunt nóg zo lang afweren, die om jou smeekt – maar uiteindelijk breekt het. There’s a crack in everything, thats how the light gets in.

 

Straks zullen we dat lied zingen: veel te laat heb ik jou liefgekregen. Laat het tot je doordringen wat je zingt. ‘Binnen in mij was je, ik was buiten’. Dit is het opstandingsverhaal van vandaag.
De ruach die in jou zit, dat die uit mag breken, met alle kracht die in je is.
Dat jij, die het binnenste ik opgesloten hebt, jezelf buiten hebt gezet, weer mag verbinden, samenkomen. Je kern mag verlichten.

Hóór het dan toch! Hoe Hij roept, en schreeuwt in jou. Óm jou.

Kijk nog eens naar die handen. Hoe ze jouw pijn dragen, zoals wij elkanders pijn dragen.
En dan denk ik aan vanmiddag. Voor de 150ste keer komen mensen samen bij kamp Zeist. Alleen de náám al… Kamp. Mensen van God, die op zoek zijn naar geluk, zoals een ieder van ons, worden vastgehouden omdat ze géén mensen van ons mogen zijn. Omdat wij een mens illegaal verklaren. En elke eerste zondag van de maand komen mensen daar bij het hek. Ze zingen, ze bidden, ze prikken bloemen in het hek en ontsteken licht.
Het is een dramatisch, schrijnend, onbestaanbaar jubileum. Dat zoiets in onze samenleving is.
Maar er zijn mensen, die al 150 keer, de pijn van anderen in hún handen mee willen dragen.
Met ontferming, biddend om vrede, met overgave. Met levensadem.
En zo, lieve mensen, zó doe je dat. Amen

Geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius - 't Zand 31, 3811 GB Amersfoort.
Bereikbaar iedere werkdag van 9.00-12.00 u. tel 033 4721705, of 
email.
Voor dringende pastorale zorg kunt u bellen naar: 06-57541222.