Geschiedenis kerkgebouw

Van schuilkerk tot 'waterstaatskerk avant la lettre'

Tekst en foto's: Max Cramer, architectuurhistoricus bureau Monumentenzorg

Na de Reformatie in Amersfoort (1579) gingen de middeleeuwse kerken bijna binnen het jaar over naar de nieuwe protestantse kerk. De uitoefening van de rooms-katholieke eredienst werd verboden. Priesters moesten hun ambt neerleggen en kloosters mochten geen nieuwe leden aannemen, waardoor zij tot uitsterven waren gedoemd. Wie het rooms-katholieke geloof trouw bleef, moest in verborgenheid samen komen. Zo hielden de rooms-katholieken in Amersfoort eerst nog diensten in kloosterkapellen, met name de St. Aegtenkapel, maar later werd men gedwongen in woonhuizen -schuilkerken- de diensten te vieren. Deze eerste jaren waren ongetwijfeld moeilijk. Men had een tekort aan zielzorgers, men ondervond tegenwerking van de plaatselijke overheid en de organisatie was gebrekkig. Door de onderdrukking van de rooms-katholieke geloofsgemeenschap in de door protestanten geleide gebieden, zag Rome zich al snel genoodzaakt de Noordelijke Nederlanden als missiegebied aan te wijzen. De leiding kwam daarbij in handen van een apostolisch-vicaris, die een beperktere macht bezat, dan de vroegere aartsbisschop. Later stond Rome ook kloosterlingen toe werkzaam te zijn in de rooms-katholieke staties (parochies in een missiegebied). Hierdoor ontstond op den duur een grote spanning tussen het centraal gezag in Rome, dat met de Contra-Reformatie een scherpe koers uitzette tegen de protestantse overheersing en de officiële rooms-katholieke geestelijkheid in Nederland, die veel meer heil zag in het gebruik maken van de vrijheden die hen door de protestantse overheid toch werd geboden. De kloosterlingen volgden daarbij de harde lijn van Rome om zo het verloren gegane terrein weer op de protestantse kerken terug te winnen. Uiteindelijk liep deze tegenstelling in 1723 uit op een schisma binnen de rooms­katholieke kerk in Nederland, waardoor de Oud Bisschoppelijke Cleresy (Oud-Katholieke Kerk) ontstond.

In Amersfoort waren tussen 1579 en 1650 vier staties ontstaan. De St. Willibrordus & St Bonifacius (1606) aan de Muurhuizen (vermoedelijk de opvolger van de St. Joriskerk), de St. Georgius (1630-40) aan 't Zand (waarschijnlijk de opvolger van de OLV-kapel), de St. Franciscus Xaverius eerst aan de Vijver (1630) en later (1666) aan 't Zand en de OLV ten Hemelopneming, eerst (1639) aan de Muurhuizen en later (1700) aan de Kromme Elleboogsteeg.
In de eerste twee gemeenten waren met toestemming van de apostolisch-vicaris, 'wereldheren' (priesters die niet aan een orde verbonden waren) werkzaam. Dit waren vaak 'borgerszonen' d.w.z. Amersfoorters, die door de plaatselijke overheid niet het recht ontzegd konden worden in de stad te wonen. Voor deze groep was het geestelijk klimaat in Amersfoort niet ongunstig. Hierbij zal ongetwijfeld hebben meegespeeld dat Amersfoort vlak voor de Reformatie een rooms-katholiek bolwerk was en pas onder dwang van Jan van Nassau tot de Reformatie overging.
De staties van de St. Franciscus Xaverius en de OLV ten Hemelopneming waren door kloosterlingen gesticht, de eerste door de jezuïeten, de laatste door een kapucijnermonnik. De kloosterlingen riepen door hun hardere houding soms weerstand op bij de plaatselijke overheid. Als het stadsbestuur de invloed van deze priesters te groot vond worden, werden zij gedwongen de stad te verlaten.

Desondanks bleef het voor de rooms-katholieken mogelijk samen te komen. Het duurde echter meer dan honderd jaar voordat de overheid toestond dat nieuwe kerken werden gebouwd. In 1696 kreeg de statie aan de Muurhuizen een 'fraay net Kerkje', dat nog wel verscholen in het stadsbeeld was gelegen. De architectuur aan de buitenzijde was sober, maar het interieur was rijker van karakter en hier waren nog voorwerpen en gewaden van vóór de reformatie aanwezig. Vier jaar later mocht ook de statie van de OLV ten Hemelopneming onder strenge voorwaarden een kerkje aan de wat minder prominente Kromme Elleboogsteeg neerzetten. Ook dit gebouw zal ongetwijfeld weinig uitbundig zijn geweest. In de 18de eeuw werd de houding van het stadsbestuur toleranter. Toen in 1715 de kerk van de St. Franciscus Xaverius, gelegen achter de St. Aegtenkapel, in vlammen opging mocht men een meer in het stadsbeeld zichtbare kerk bouwen, op de huidige plek aan 't Zand. Ongetwijfeld zal ook dit een eenvoudig bouwwerk zijn geweest, dat weinig aanstoot zal hebben gegeven. En in 1783, nog ruim voor de Bataafse Republiek, kreeg de statie van de OL V ten Hemelopneming toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk aan de Langegracht, die 'alleszins zoude houden de gedaante van een huis, waarvan de ramen twaalf voet of meer boven de grond komen, zodat de godsdienst daar ingevolgde de Placaten in alle stilte zoude kunnen worden verricht'. Ook dit was nog een onopvallend rechthoekig, bakstenen gebouw, dat blijkbaar nog associaties met een woonhuis opriep, maar de gevels waren wel al voorzien van meer bij een kerkgebouw passende rondboogvensters. Een houten klokkentoren werd ruim 35 jaar later, in 1819, toegevoegd. Pas toen kreeg de kerk, door de monumentale pilasters telling, het driehoekig fronton boven het middelste spitsboogvenster en de houten spits een voornaam classicistisch aanzien. Maar hoe deze ingrijpende verbouwing precies heeft plaatsgevonden vereist nog diepgaand onderzoek.

Op 5 augustus 1796 - exact honderd jaar na de bouw van het kerkje in de Muurhuizen besloot de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek dat 'er geen bevoorrechte nog heersende kerk in Nederland mee kan of zal geduld worden'. In de grondwet van 1815 werd dit nogmaals bevestigd en werden alle kerkgenootschappen voor de wet gelijk verklaard. Ook werd een departement voor de eredienst ingericht. Op deze wijze werd het ook voor de rooms-katholieke kerk mogelijk zich nadrukkelijk in het stadsbeeld te profileren. In Amersfoort maakte de statie van de St. Franciscus Xaverius hiervan vrijwel direct gebruik.

In 1815 was de kerk op 't Zand, na honderd jaar in gebruik geweest te zijn, namelijk aan renovatie toe, zoals blijkt uit een in het Archief Eemland bewaard archiefstuk: 'De Weleerwaarde Heer Rademaker ziende dat de Kerk groote reparatien behoefde, maar begrijpende dat de verbouwing, vergrooting of geheele vernieuwing der Kerk eene te groote onderneming was, om door den Pastoor der gemeente alleen ondernomen te worden, oordeelde het nuttig en noodzakelijk dat er een Kerkbestuur werde aangesteld'.
Bovendien stelde pastoor Rademaker de gemeente de prangende vraag: 'of de gemeente het niet goed en noodig oordeelde, dat er eerlang eene vergrooting, verbetering of herbouwing aan de kerk en pastorij plaats hadde'.
De gemeenteleden stemden unaniem in met het aanstellen van een kerkbestuur en kozen vervolgens eensgezind voor een nieuw kerkgebouw. Het verslag geeft opnieuw uitsluitsel hoe het kerkbestuur tot een besluit kwam: 'Nadat het kerkbestuur meer dan eens onderling gedelibereerd had hoe men het met het oude kerkgebouw zoude aanleggen, heeft men door een kundig architect het gebouw doen opnemen: welke architect berigtte dat er fl 13000 à fl 14000 zouden noodig zijn om het gebouw zooveel te vergrooten en te verbeteren als door het kerkbestuur werd verlangd: de kosten voor reparatieën van het pastorijhuis daar buiten gerekend. Donderdag den 1 Februarij 1816 werd door het kerkbestuur geraadpleegd of men de Oude kerk met zooveel onkosten zou repareren, of liever naar den wensch der gemeente een gansch nieuwe bouwen: werd met acht tegen twee stemmen besloten eene nieuwe kerk te bouwen, mits de geheele som daartoe noodig bij nadere bere­kening zoude bevonden worden niet boven de fl 24000 of fl 26000 zouden belopen, en men bij de fl 11000 door inteekening bijeen gebragt, de overige gelden tot obligatie konden vinden. De som tot bouwing eener nieuwe Kerk door den architect F: Wittenberg nauwkeurig berekend zijnde, zou fl31500 bedragen: waarover door het kerkbestuur gedelibereerd zijnde, op den 5 April 1816 werd besloten om volgens teekeningen een begin te maken met het bouwen eener nieuwe Kerk'.
Met het professionele ontwerp van bouwmeester Wittenberg, stadsarchitect in Zutphen, kon men voor de dag komen. In korte tijd werd de bouw uitgevoerd en op 22 oktober 1817 werd de kerk ingewijd. Een verslag geeft weer dat de bouwmeester inmiddels was overleden en daardoor dit feest niet meer kon meemaken.

Het gebouw werd en wordt aan de buitenzijde gekenmerkt door een classicistisch uiterlijk, waarbij met name de geblokte pilasters met het hoofdgestel, het driehoekige tympaan en de dakruiter in de vorm van een klassiek rond tempeltje domineren. Ook de bloemslingers passen bij deze stijl. Daarentegen roepen de spitsboogvensters herinneringen op aan de middeleeuwse, gotische kerkgebouwen. Het wit gepleisterde interieur werd gedomineerd door pijlers met daarboven een architraaf.
Uit een overzicht in het toonaangevende boek 19de-eeuwse kerkelijke Bouwkunst in Nederland van drs. H.P.R. Rosenberg blijkt dat de Amersfoortse St. Franciscus Xaverius één van de allereerste 19de-eeuwse Neoclassicistische kerken van rooms-katholieke richting in Nederland was. Alleen de kerken in Rijssenburg (1809) en Doesburg (1813) zijn van eerdere datum. Maar kort daarna nam de bouwstroom in Nederland toe en werden ook in andere plaatsen vele kerken gebouwd. Blijkbaar waren deze panden bouwtechnisch van zo veel minder allure, dat koning Willem I in 1824 besloot dat de kerken voortaan onder toezicht van het ministerie van Waterstaat moesten worden gebouwd. Hoewel deze dienst meer de ingediende ontwerpen 'verbeterde' en slechts bij uitzondering zelf een kerkgebouw ontwierp, zijn veel van de nieuwe kerken in de classicistische vormentaal opgetrokken. Hierdoor kreeg dit type kerkgebouw op den duur het stempel 'waterstaatskerk' opgedrukt, waarin een sterk denigrerende ondertoon doorklonk. Lange tijd bleef dit negatieve beeld bestaan, waarbij de term 'waterstaatskerk' bij velen een beeld opriep, dat door Rosenberg in zijn standaardwerk beeldend werd omschreven. Een waterstaatskerk werd in zijn ogen gekenmerkt door: 'zuilenstellingen, frontons en een koel classicistisch interieur, waarin de zuilen nu een architraven, dan weer bogen mochten dragen of waarin de ene keer en cassettengewelf, de andere keer een plafond werd toegepast'. De foto's in dit boek versterken het beeld, waarbij het koepeltorentje vorm van een sierlijk klassiek rondtempeltje bezat met een halfbolvormig koepeltje. Deze modelbeschrijving was zo goed van toepassing op het kerkgebouw van de Franciscus Xaverius, dat het bijzonder begrijpelijk is dat men dit gebouw nog wel eens al 'waterstaatskerk' heeft getypeerd.

Hoewel nog aanvullend onderzoek moet plaatsvinden, is inmiddels door het vroege bouwjaar wel duidelijk dat de invloed van het ministerie van Waterstaat in Amersfoort geheel moet worden uitgesloten. Omdat het kerkgebouw echter wel alle kenmerken van de waterstaatstijl vertoont, verdient de Sint Franciscus Xaveriuskerk zeker de eretitel: 'waterstaatskerk avant la lettre'.

02

Beluister hier de klokken zoals ze
 klonken op 20-12-2009. De foto is
 tegelijk genomen.

Bronnen:


- Archeologie en geschiedenis van een bouwplaats in Amersfoort, Amersfoort, 1988.

- Archief Parochie St. Franciscus Xaverius, inventarisnummer 11 in: Archief Eemland

- Bruid aan de Eem, grepen uit de Amersfoortse Kerkgeschiedenis, Amersfoort 1985.

- Thomas H. von der Dunk, 'Wat er staat is is zelden Waterstaat', in: Bulletin Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 1992-1

- H.P.R. Rosenberg, De 19de-eeuwse Kerkelijke Bouwkunst in Nederland, Den Haag 1972.

- Uit het Dagboek van Frans Zand en Maria Elleboog 1630-1980, Amersfoort, 1980.

Dit artikel is met welwillende toestemming overgenomen uit: Amersfoort Magazine - jrg. 8 - nr. 1 - september 2005
Uitgave: Uitgeverij Educom BV, Rotterdam. Dit magazine bevat veel wetenswaardigs over Amersfoortse religieuze gebouwen.

Geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius - 't Zand 31, 3811 GB Amersfoort.
Bereikbaar iedere werkdag van 9.00-12.00 u. tel 033 4721705, of 
email.
Voor dringende pastorale zorg kunt u bellen naar: 06-57541222.