1630 - 1980- Uit het dagboek van Frans Zand

 

UIT HET DAGBOEK VAN FRANS ZAND


Inleiding

Een halve eeuw na de Reformatie (1579) zijn in Amersfoort twee r.k. geloofsgemeenschappen gesticht. In het begin kwamen de gelovigen in gewone huizen bijeen om de eucharistie en andere plechtigheden te vieren. Die periode is bekend als de schuilkerken tijd.

Uit de ene geloofsgemeenschap is de St. Franciscus Xaveriusparochie, 't Zand, ontstaan: 'Frans Zand'.

De tweede kerk en parochie vond haar groei en bloei in de Kromme Elleboogsteeg en was toegewijd aan O.L.Vrouw ten Hemelopneming: 'Maria Elleboog'.

De kroniek van 'Frans Zand' is in 1952 mede geschreven bij gelegenheid van het 300-jarig bestaan van 't Zand als een kerkelijk erkende statie. In het 'Amersfoorts Katholiek Dagblad' werd toen een historisch verslag van W.v.d. Pas in drie afleveringen gepubliceerd. De uitstekend beschreven geschiedenis is op enkele plaatsen met onbekende bijzonderheden aangevuld. En het verhaal van 'Maria Elleboog' mag gezien worden als een 'Gedachtenisprentje aan Moeder', met bijzonderheden die niet of nauwelijks bekend zijn.

Het 350-jarig bestaan van 't Zand als geloofsgemeenschap, is een mooie gelegenheid om beide kronieken samen te voegen.

Na een eeuwenlang afzonderlijk bestaan zijn 'Frans Zand en Maria Elleboog' tot een 'gedwongen' huwelijk gekomen in 1963, vandaar deze dubbele kroniek.

Hierbij is een plattegrond afgedrukt waarop alle kerken in de binnenstad staan aangeduid die in de tekst genoemd worden. Geschiedenis goed begrijpen is vaak net zo moeilijk als het goed begrijpen van mensen. Met de wetenschap, dat geschiedenis door mensen gemaakt wordt, kan daaruit een 'pittig' verhaal ontstaan.
De 350-jarige Parochiegemeenschap van 't Zand is daar een duidelijk voorbeeld van.

 

Henk Kuiper, september 1980

 

 

350 JAAR PAROCHIEGEMEENSCHAP ST. FRANCISCUS XAVERIUS, "'T ZAND", AMERSFOORT

 

De Jezuïeten-statie op 't Zand: 1630

De gemeenschap der kerk komt tot uiting in de gemeenschap der parochie, waarvan de parochiekerk het middelpunt is. Een parochie is geen nummer in een kaartsysteem, geen administratief onderdeel van het bisdom. Maar een bij elkaar wonende, samen biddende, samen offerende groep christenen, aan de zorg van een priester toevertrouwd, die men 'pastor' - herder - genoemd heeft, de hoogst denkbare eretitel 'herder der zielen'.
De geschiedenis van een parochie is de geschiedenis van een groep Christenen die samen een gemeenschap vormen, een levend deel der Kerk, die haar eigen leven en taak, haar eigen rechten en bedrijvigheid, haar eigen herder en ook haar eigen engelbewaarder heeft.
De geschiedenis van een parochie, kan ook, door omstandigheden, de weerspiegeling zijn van het katholieke leven, niet alleen in die parochie, maar van het gehele bisdom, van de gehele kerkprovincie.

De parocbe van Sint Franciscus Xaverius te Amersfoort heeft zulk een verleden. Na de ontreddering der Reformatie werd zij gesticht toen er enige kans op herstel bestond, ze ondervond al de moeilijkheden onzer missiekerk, ze beleefde ook het herstel der kerkelijke hierarchie, nu bijna een eeuw geleden. Ze is ook de oudste der Amersfoortse parochies.

In 1630 bijna clandestien in het leven geroepen, werd ze in het begin van 1652 officieel als statie erkend. Twee van haar kapelaans kregen een beroemd geworden naam in onze kerkgeschiedenis: Mgr. F.J. van V ree, Haarlems eerste bisschop na 1853, is van 11 januari 1833 tot 1 november 1836 hier kapelaan geweest en van 8 september 1911 tot 26 april 1912 was Z. Em. Johannes kardinaal De Jong in de parochie van St. Franciscus Xaverius werkzaam.

Totale ontreddering van het katholieke leven in Amersfoort dreigde, toen in 1580 de parochie- en kapittelkerk van Sint Joris definitief in hervormde handen overging. Pastoor Willem Anthonissen dook onder in de Muurhuizen en vond daar een geschikte plaats om de heilige geheimen te vieren en de trouwgeblevenen te onderrichten. Zo is het parochieverband nooit geheel verbroken in Amersfoort. Pastoor Anthonissen, de laatste parochieherder van de Sint Joris is de stichter en eerste pastoor van de schuilkerk in de Muurhuizen, tussen de Langestraat en de Kerkstraat, toegewijd aan St. Willibrordus en St. Bonifacius.

Hoewel deze statie later overging naar de Oud-Bisschoppelijke Cleresij, die er een seminarie vestigde, moet dit bedehuis toch in dankbare herinnering blijven, want het vormde in de moeilijke overgangsjaren de band tussen de katholieke gemeenschap van vóór 1580 en de missiekerk der zeventiende eeuw.
In 1606 werd de statie in de Muurhuizen officieel als zodanig door Sasbout Vosmeer, de eerste Apostolisch Vicaris der Hollandse Zending, erkend. Willem Anthonissen leefde toen niet meer. Johan van Langeveld was hem opgevolgd en deze bleef in functie tot 1627, toen hij door ouderdom en ziekte gedwongen, ontslag nam en naar Sint Aagten ging.
Nu kwam er een jonge, energieke priester Mr. Willem Bloem, Amersfoorter van geboorte en licentiaat in de theologie, geheel gevormd in de geest van Trente. Zijn arbeid beloofde de rijkste vruchten, toen er plotseling een schaduw over hem viel. In 1629 werd Amersfoort door de troepen van Infante Isabella en de keizerlijken onder Montecuculi bezet; de katholieke godsdienst werd in ere hersteld en pastoor Bloem droeg de heilige mis op in de aloude Sin Joris. De vreugde was van korte duur, slechts tien dagen na zijn triomfale intocht moest Montecuculi de stad ontruimen. Er werd toen gesproken over 'verraad', men had de vijand te gemakkelijk binnengelaten, verschillende magistraatpersonen werden op last der Staten gearresteerd. Pastoor Bloem en zijn assistent Lambert Dirkson waanden zich allerminst veilig, ze zochten een schuilplaats in Sint Aagten, waar ze 'elf weeken in stilligheyt bleeven'. Toen was de overheid tot de conclusie gekomen dat ze volkomen vrijuit gingen en zelfs de dank der stad verdienden, omdat ze een radicale plundering door de vijand hadden voorkomen.

In de dagen dat pastoor Bloem zich schuil hield, kwam (enkele weken na zijn priesterwijding) de Amersfoortse jezuïet Jordanus van Wenckum naar zijn geboortestad om zijn (zieke moeder en) familie te bezoeken. Hij nam tijdelijk de zielzorg waar en velen wensten dat hij zou blijven, maar pater Van Wenckum vreesde moeilijkheden met de Apostolisch Vicaris Philippus Rovenius, die geen  Jezuietenvriend was. Daarom vertrok hij weer na de terugkeer van pastoor Bloem, maar beloofde verlof te zullen vragen om in Amersfoort te werken.

HET BEGIN VAN 'T ZAND

Het volgend jaar (1630) is Jordanus van Wenckum inderdaad teruggekomen. Rovenius had hem vergunning gegeven omdat hij was 'een borgers zoon'. Uitdrukkelijk had de Vicaris bepaald, dat die toestemming alleen persoonlijk voor pater Van Wenckum gold en dat de rechten van pastoor Mr. Willem Bloem ongehinderd en onverkort zouden blijven. Hoogstwaarschijnlijk heeft Van Wenckum zijn woonplaats gekozen in de Vijverst raat, bij de Begijnen, waar hij een oratorium opende met St. Franciscus Xaverius als patroon. Met pastoor Bloem leefde hij in de beste verstandhouding.

Samen zijn ze ook in 1632 gevangen genomen en naar Den Haag gevoerd onder beschuldiging van relaties met de Spanjaarden. Pastoor Bloem werd uit het land gebannen, pater Van Wenckum mocht naar Amersfoort terugkeren. Hij stierf daar op 3 augustus 1636 als slachtoffer der verzorging van pestlijders.

De vraag was nu of het oratorium zou blijven bestaan. Zou Rovenius een opvolger toelaten? De onzekerheid duurde niet lang, want enkele dagen later kwam pater Adriaan van Rhenesse van Baer de zielzorg in het kleine oratorium aan de Vijverstraat voortzetten. Daarmee deed een der meest beroemde missionarissen uit onze Zendingskerk zijn intrede binnen Amersfoort. Aan de magistraat werd verzocht om 'Adriaen van Rhenesse van Baer, priester, sone van wijlen Jhr. Jacob van Rhenesse, Gedeputeerde van de Ed. Mo. Heeren Staten 's landts van Utrecht' toe te laten. Tegenover de zoon van zulk een voornaam heer kon de magistraat moeilijk afwijzend staan: 'de Roomspriester Van Baer wordt toegelaten tot deser stege'.

Rovenius was aanvankelijk minder geschikt; op den duur berustte hij, vooral toen bleek welk een voortreffelijk zielzorger pater Van Rhenesse was. Veel te vroeg is deze gestorven, in de namiddaguren van 16 oktober 1647 verspreidde zich door de stad de tijding dat pater Van Rhenesse was overleden aan de pest. Zijn begrafenis in de St. Joris werd een indrukwekkende plechtigheid waar rooms en onrooms aan deelnam.


OFFICIEEL ALS STATIE ERKEND IN 1652

Na de dood van Adriaan van Rhenesse heeft pater Jacobus Sluysken de geestelijke bediening in de Vijverstraat waargenomen, tot in 1651, toen hij opgevolgd werd door pater Joannes van Alkemade van Nijenborch. Deze kreeg in 1652 van vicaris De la Torre toestemming voor een blijvende vestiging. Hij kreeg alle volmachten voor een parochiële bediening met het recht door 'n jezuïet te worden opgevolgd. Onder hem kwam de verering van St. Franciscus Xaverius tot grote bloei, in 1662 kreeg de Statie uit Rome een kostbare relikwie van zijn schutspatroon. (Deze relikwie, die een bot uit de arm van St.Franciscus bevat, is in bruikleen bij het Catharijnenconvent in Utrecht, red.) Maar in 1665 werd Van Alkemade uit de stad gebannen en tot aan de grond toe werd zijn kerkje afgebroken. De Amersfoortse Christophorus van Dolre kwam in zijn plaats; hij woonde bij zijn vader, maar bleef slechts een jaar. Simon van Velzen, eveneens een 'borgers zoon', volgde hem op in 1666. Onder hem is waarschijnlijk het kerkje op het Zand gebouwd, ongeveer ter plaatse waar zich nu de St. Franciscus Xaverius bevindt.
Na de dood van pater Van Velzen in 1672 volgden paters jezuïeten elkaar regelmatig als pastoors 'van 't Zand' op. Franciscus Xaverius van Hulten (Amsterdammer) is na een goed jaar in 1673 overleden. Daarna kwamen er drie 'belgische' jezuïeten: Franciscus Petrus van Werwicke (Yperen), 1673-80; Ludovicus Coudijser (Kortrijk) 1680-98; en pater Janssens (Halle). Onder Aegidius Janssens (1698 -1718) beleefde katholiek Amersfoort moeilijke tijden. 

Het grote visitatieverslag van Vicaris Petrus Codde uit 1701 zegt, dat er in Amersfoort drie staties waren: St. Willibrordus en Bonifatius in de Muurhuizen, St. Georgius op 't Zand (sinds 1645) en St. Franciscus Xaverius eveneens op 't Zand. Toch was er toen ook al de statie aan de Kromme Elleboog, O.L. Vrouw ten hemelopneming (plm. 1700). Waarom Codde deze niet vermeldt? Waarschijnlijk omdat deze carmelietenstatie niet metzijn instemming werd gesticht.

De vier staties hebben rijkelijk hun deel gehad in de moeilijkheden tijdens deze Vicaris, welke geleid hebben tot afscheiding der Oud - Bisschoppelijke Cleresij. (rond 1713). De pastoors van Muurhuizen (Le Fèvre) en van St. Georgius (Cornelis Steenoven, die de eerste aartsbisschop der Cleresij is geworden) weigerden zich te onderwerpen aan de beslissing van de H. Stoel, waarbij Codde werd afgezet als Vicaris (1702). Beide staties zijn dan ook overgegaan naar de Cleresij. De twee andere staties niet, St. Franciscus Xaverius en de O.L. Vrouw ten hemelopneming bleven trouw.

Ook het overgrote deel van Amersfoorts katholieken lieten de twee afgescheiden kerken links liggen en parochiëerden voortaan in de beide andere. Zo vertonen deze na 1700 een enorme aanwas aan communicanten. Ook uit het naburige Hoogland, waar pastoor Scheunink over ging, kwamen de katholieken naar de twee Amersfoortse kerkjes.

 

DE KERK BRANDDE AF
 

In de nacht van Witte Donderdag op Goede Vrijdag 1715 brandde het kerkje van St. Franciscus Xaverius geheel af. Er moest tot de bouw van een nieuw worden overgegaan, dat aan de Oostzijde van de pastorie kwam en in 1716 werd voltooid. Tot dusver had het kerkje westelijk van de pastorie gestaan achter de St. Aegtenkapel. Het kan van de straat af niet gezien worden en de toegang was vanaf de wal door het z.g. Papenlaantje. Langs een trap, die in 1842 is weggebroken, en papentrap of munnikentrap werd geheten, daalde men van de wal af in het Papenlaantje. Na de dood van pastoor Janssens kwam in 1720 Herman van den Clooster, die ruim veertig jaren pastoor op
't Zand is geweest.
 

 

WERELDHEREN-STATIES

 

Op 18 juli 1762 stierf pater Van den Clooster. De volgende dag kwam de Schout der stad Joost Taets van Amerongen aan pater Bequart, kapelaan van de overledene aanzeggen dat hij moest vertrekken. De Staten van Utrecht hadden besloten geen jezuïeten meer toe te laten. Pater Bequart vertrok daags daarna. Hij ging de pastorie uit, langs het Papenlaantje, de wal op en verliet zo de stad.

De statie van St. Franciscus Xaverius was een der bloeiendste en in de l8de eeuw ook een der belangrijkste der Hollandse Zending. Volgens een der laatste verslagen van pater Van den Clooster telde ze ruim 900 communicanten. De katholieken hadden het vrij rustig in Amersfoort en door de vrijgevigheid der parochianen hadden de pastoors niet met geldzorgen te kampen. In het kerkje werden de plechtigheden zeer feestelijk gevierd en zoals in alle jezuïetenkerken was er gezorgd voor prachtige altaarstukken en paramenten. Het Veertigurengebed en de verering der H. Maagd kwamen tot grote bloei.

Dat beide staties (De Elleboog en 't Zand, red.) in handen van de wereldheren overgingen is het gevolg van de groeiende tegenzin bij de wereldlijke overheid tegen elke 'buitenlandse' invloed, en ook omdat de paters gelden die zij ontvingen naar hun kloosters moesten sturen. De wereldheren waren 'kinderen van den lande', de paters 'vreemdelingen '. De Staten van Holland en later die van Utrecht besloten geen paters meer toe te laten. Kapelaan  Joannes van Engelen verliet de stad. De werkzaamheid van de Carmelieten in Amersfoort was ten einde. Zowel 't Zand als de Elleboog kunnen met grote dankbaarheid terugzien op het vele en goede pastorale werk dat de missionarissen gedurende bijna anderhalve eeuw verricht hebben.

Begin augustus 1762 kwam Joannes Franciscus van Crimpen als eerste saeculiere pastoor naar 't Zand. Slechts vier jaren bleef hij daar en na zijn dood in 1766 werd hij opgevolgd door Johannes Henricus Berentsen, een broer van de toenmalige aartspriester van Utrecht. Zeven en veertig jaren bleef deze pastoor op .'t Zand (1766-1813). Hij opende de rij der pastoors van groot formaat, die in de volgende eeuw hier de herdersfunctie bekleed hebben. Het meest is hij bekend geworden door zijn zorg voor zieken en armen, en door zijn aandeel in de patriottenbeweging. Dit laatste is hem door de prinsgezinden erg kwalijk genomen en in 1787 scheen het een ogenblik, dat hij zou moeten vertrekken. Maar de gehele parochie kwam voor haar bedreigde pastoor op. Hij mocht blijven 'mits hij al zijn invloed zal aanwenden om die van zijn gemeente de verschuldigde eerbied en het wettig ontzag voor de overheid in te boezemen'.
In 1795, toen de patriotten het heft in handen kregen, was pastoor Berentsen de gevierde man, hij was de held van het nieuwe Amersfoort, samen met zijn vriend A.F. van Lilaar van Stoutenburg, die Maire der stad werd. Toen hij op 10 juni 1813 stierf, was pastoor Berentsen juist 84 jaar geworden. 

De opvolger van pastoor Berentsen (een verre voorzaat van een van de tegenwoordige pastores), Victor Rademaker kreeg al aanstonds een zware opdracht: er moest een nieuwe kerk gebouwd worden. Tevens was er een andere kwestie: er was nooit een kerkbestuur geweest - de pastoor had alles zelf beheerd. Om last met de overheid te voorkomen stond als eigenaar aangegeven: familie Lilaar van Stoutenburg. Pastoor Rademaker besloot alles maar ineens te regelen.

 

VAN STATIE TOT PAROCHIE

 

Als een herinnering aan het Middeleeuws verleden van Amersfoort is daar de Sint Aegtenkapel. Ze heeft de ondergang van het convent in 1637 beleefd; eerst overleed de laatste Mater, Elsje Zoes en in juli stierf de enig overgebleven zuster, Marritge Jans. Vereenzaamd bleef de kapel achter, toen in oktober 1640 alle overige gebouwen van Sint Aegten door het stadsbestuur publiek verkocht werden en weldra onder slopershanden vielen. Nog eenmaal zou ze, als iets van haar vroegere glorie, beleven, dat binnen haar muren de H. Geheimen werden gevierd. Dat was van april 1816 tot oktober 1817, toen ze als noodkerk diende, terwijl de oude St. Franciscus Xaverius werd afgebroken en door een nieuwe vervangen. (Over de architectuur van het kerkgebouw kunt u een interessant artikel lezen dat we eerder publiceerden.) Dit is een hele geschiedenis geweest, die later door deken Blom uitvoerig werd beschreven in het parochieboek. De voornaamste momenten volgen hier in het kort.

In de namiddag van 11 oktober 1815 waren een groot aantal parochianen van 't Zand bijeen gekomen binnen de muren van het oude kerkgebouw. Pastoor Victor Rademaker had hen samengeroepen om over twee punten te handelen: de betreurenswaardige toestand van de kerk en de kwestie van een kerkbestuur. Hij vroeg de mening der parochianen over de beide punten:
"Wat is te verkiezen: Vergroting en vernieuwing der bestaande kerk óf de bouw van een geheel nieuwe?
Is een kerkbestuur nodig? Zo ja. zal dan de vergadering een aantal geschikte personen kiezen, die de pastoor dan aan aartspriester Van Nooy zal voordragen ter benoeming " 

"De Grote Vergadering van 't Zand" begon met de tweede vraag. Unaniem was men van oordeel, dat een kerkbestuur nuttig, ja noodzakelijk was. Pastoor Rademaker deelde daarop mede, dat de heer Van Lilaar, mede namens zijn familie, alle rechten, welke hij volgens de oude regeling had, overdroeg aan de katholieke gemeente en geen enkele aanspraak, in welke vorm dan ook, had behouden. "Het past de katholieke gemeente," aldus de pastoor, "voor de belangeloze toewijding, waarmee de Heren van Stoutenburg zovele jaren de statie van 't Zand hebben gediend, steeds in dankbaarheid te gedenken." Door de acte van afstand had de heer Van Lilaar een echt kerkbestuur mogelijk gemaakt.
Gezien de omstandigheden achtte de pastoor tien kerkmeesters nodig, later kon men dit aantal geleidelijk verminderen. Er werden tien mannen aangewezen "zulks met algemeenheid van stemmen".
De voornaamste waren de heer Van Lilaar, Baron Peter van Heilma, Mr. H.G. Bor en Dirk Huurdeman. 

Nu de kerk: verbouwing zou minstens fl. 16.000,- kosten, dus het leek de Grote Vergadering beter om maar een nieuwe te bouwen. Er was echter weinig geld in kas. Besloten werd om een algemene inzameling te houden en ondertussen zou het nieuwe, nog voorlopige, kerkbestuur, een begroting laten maken. Op 16 januari 1816 was men opnieuw bijeen, de parochianen hadden ruim 14000 gulden bijeengebracht, maar de nieuwe kerk zou er 32000 kosten. Toch werd eenstemmig tot de bouw besloten.

In april werd begonnen met de afbraak van de oude kerk. Dit verliep vlot en op 6 juli kon reeds de eerste steen van de nieuwe St. Franciscus Xaverius worden gelegd. In oktober 1817 kwam ze gereed en aartspriester Van Nooy zegende op de 20ste dezer maand het nieuwe Godshuis in.
Pastoor Rademaker bleef nog vijf jaar op 't Zand. In 1818 werd door Zand en Elleboog het kerkhof aan de Utrechtse weg aangelegd. (Het doet wel een beetje griezelig aan in de grondoverdrachtsakte van Rijk van Rippen (Elleboog) te lezen dat een "hoekje grond groot vier honderd roeden" bestemd zou worden voor een "kerkhof ter begraving der stervenden".

In 1819 kwam er een orgel in de kerk.
 

ONDER AARTSPRIESTER VERMEULEN

De nieuwe pastoor, Gijsbert Vermeulen, was op 't Zand geen onbekende. In de jaren rond 1810 was hij daar kapelaan geweest. De ruim twintig jaren, die hij pastoor op 't Zand was, laten zich gemakkelijk in twee ongeveer even lange perioden verdelen: tot 1833 was hij pastoor zonder meer, na 1833 tevens Aartspriester van het utrechtse district.

De voornaamste gebeurtenissen uit de eerste tijd zijn de oprichting der Broederschap van het H. Hart van Jezus (1827) en de stichting van "het instituut voor jonge juffrouwen" (1823-1825). In juni 1823 had Mej. Van Werkhoven een huis gehuurd in de Muurhuizen, bestemd voor de "Pédagogie Chrétienne", voor het godsdienstig onderwijs aan meisjes. Kort te voren had pater Matthias Wolff S.J. te Culemborg de Congregatie der Zusters van

O.L. Vrouw gesticht en deze kwamen nu naar Amersfoort om in het huis van Mej. Van Werkhoven de "Pédagogie Chrétienne" te verzorgen. "Pastoor G.A. Vermeulen van de kerk Soli Deo Gloria heeft daartoe zeer veel bijgedragen ", constateerde pater Wolff. Deze stichting is het begin geworden van de Congregatie der Zusters aan de Zuidsingel.

Pastoor Vermeulen werd een steeds belangrijker persoon in de Hollandse zending. Van 1825 af, samenvallend met de maatregelen van koning Willem I als de sluiting der kleine seminaries enz., werd de pastorie op 't Zand steeds meer het centrum. Aartspriester Van Nooy was er dikwijls om raad te vragen, een tijdgenoot zegt: "Sinds 1826 was Vermeulen in feite de aartspriester".
Na de dood van Van Nooy is hij het ook metterdaad geworden.
In de jaren 1833 tot 1842 is de statie van 't Zand het centrum, niet alleen van het Utrechtse district, maar ook der gehele zending. De vice-superior, Mgr. Antonucci, deed niets zonder eerst Gijsbert Vermeulen te raadplegen. Pastoor Steenhof getuigde later, dat Vermeulen de alles leidende superior was. Hij moet wel een superieur mens zijn geweest, de grote verering waarmee clerus en volk van het Utrechtse hem omgaf, de gemakkelijkheid waarmee hij de steile Willem I steeds kon naderen, de bewondering die Willem II voor "de Zwijsen van het Noorden" had, al deze feiten wijzen in die rich ting. Vooral in de jaren, dat Fr. J. van Vree, Haarlems latere bisschop, hem als kapelaan ter zijde stond, heeft Aartspriester Vermeulen de belangen der Zending op uitnemende wijze behartigd. Bijna vier jaar (11 januari 1833-1 november 1836) is Van Vree de rechterhand van Vermeulen geweest. Toen hij als directeur naar Katwijk vertrok, verloor 't Zand niet alleen een voortreffelijk kapelaan, maar haar pastoor miste ook zijn wijze raadsman. Heel langzaam is de invloed van Vermeulen sindsdien minder geworden - de tragische historie waaraan hij ten gronde ging, ligt buiten 't Zand. Daarom alleen de feiten: Aartspriester Vermeulen wilde het groot-seminarie, destijds in 's Heerenberg, overbrengen naar Culemborg, waar ook het klein-seminarie kwam.
De andere aartspriesters van de Zending waren daar vierkant op tegen. Toch wilde Vermeulen zijn zin doordrijven, soms op een wijze die men als "dictatoriaal" bestempelde. Hij verloor het pleit, 's Heerenberg ging naar Warmond (1841). Bovendien werd zijn grote vriend,. Mgr. Antonucci,

bisschop ergens in Italië. Met de komst van Mgr. Capaccini, 'n neef van de vice-superior uit de twintiger jaren, werd de periode Vermeulen definitief afgesloten. In het voorjaar van 1843 werd de oude man als Aartspriester ontslagen. Dit heeft hem geheel gebroken. Hij trok zich volledig terug. Op zijn verzoek werd zijn kapelaan G. Blom als deservitor van 't Zand benoemd. Op 12 november 1844 stierf Gijsbert Vermeulen. De bekende kanselredenaar Van Wennekendonk, toen pastoor aan de Kromme Elleboog, hield de lijkrede waarin de grootheid en het tragische einde zonder franje worden geschilderd. "Een meesterstuk van welsprekendheid en waarheid", zo getuigde Le Sage.
 

1834. Kerkelijk gezien een zeer bijzonder jaar. Sinds de reformatie kende ons land geen bisschoppen meer. Rond 1830 was de situatie landelijk zo verbeterd dat er een bisschop, zonder bestuursmacht, mocht worden aangesteld. Kort na zijn bisschopswijding kwam mgr. baron C.L.van Wijckerslooth naar de belangrijkste statie in de Hollandse Zending: 't Zand bij aartspriester Venneulen logeren. Tijdens de vormreis van mgr Van Curium, zoals deze prelaat ook wel genoemd is, naar zijn titulair diocees, werden in alle kerken de katholieken boven de 16 jaar gevormd.
Monseigneur nam ook deel aan het 40uren gebed, dat in die dagen uit de kerstsfeer gehaald werd en op pinksteren geplaatst om aan dit hoogfeest wat meer diepte te geven. En wel heel bijzonder was de wijding van een aantal priesterstudenten tot subdiaken, diaken en priester. Het werd een grootse liturgische manifestatie, maar het was ook een demonstratie van de r.k. tegen de oud-katholieken die in Amersfoort een seminarie hadden. Wel passend in het tijdsbeeld van die dagen, maar door onverdraagzaamheid zijn de geloofsgemeenschappen nog verder uit elkaar gedreven. Erg gelukkig is het dan ook dat de laatste jaren een toenadering tussen de oud- en rooms katholieken op gang is gekomen. In het begin van de vijftiger jaren -toen Van de Pas deze kroniek schreef - was er van een oekumenische ontwikkeling nauwelijks sprake. Sinds die tijd zijn veel uitspraken en uitlatingen (gelukkig) minder 'hard' geworden.
 

ZAND KRIJGT EEN NIEUWE PASTOOR

MGR. BLOM

Groter tegenstelling is nauwelijks denkbaar: na de hoogst bekwame maar steile Vermeulen, de eveneens hoogstbekwame maar gemoedelijke, vlotte Blom. Toch waren ze vrienden en Vermeulen heeft gedaan gekregen dat Blom hem als pastoor zou opvolgen. Voorlopig bleef deze wat op de achtergrond, maar op den duur werd 't Zand wederom een belangrijk centrum.
In 1850 werd het r.k. Liefdehuis in de Muurhuizen geopend, dat door de persoonlijke inspanningen van Blom tot stand kwam. Het jaar daarop werd de vergroting der kerk voltooid en in 1853 het herstel der hiërarchie officiëel aan de gelovigen medegedeeld. In 1855 was de statie parochie geworden en in 1867 vierde 't Zand feestelijk de heiligverklaring der Martelaren van Gorcum, vooral van de H. Theodorus van der Eem als stadgenoot.
Dan komt het beruchte jaar 1872 - het eeuwfeest van Den Brie!. Nogeens laaide de oude tegenstelling op, nogeens toonde de papenhaat zich in afzichtelijke vormen. Amersfoort en omstreken hebben er hun deel rijkelijk in gehad. Pastoor Blom heeft het hoofd koel gehouden en Katholiek Eemland volgde zijn aanwijzingen, zodat het slechts bij enkele opstootjes is gebleven. Hier en daar hebben de papenhaters wat ruiten ingegooid en deuren gerammeid. Ondertussen wees Blom zowel de gemeentebesturen als de predikanten op hun plicht en zette zich schrap tegen al te grote schandalen. Er was een historische optocht georganiseerd met een wagen waarop de H.H. Martelaren van Gorcum geboeid zouden meegevoerd worden, tot eer en glorie der Geuzenvictorie. Prompt liet pastoor Blom in zijn kerk het beeld van St. Theodorus van der Eem prachtig versieren en verbood de katholieken aan deze optocht deel te nemen en zelfs om er naar te kijken. Dit heeft indruk gemaakt. De schandelijke wagen viel uit. Na deze krachtproef luwde de agitatie, protestanten van alle richtingen verklaarden dergelijke 'festiviteiten' scherp te veroordelen.
Als een van de grootste verdiensten van mgr. H. Blom is tot nu toe onvermeld gebleven, dat door zijn initiatief en daadwerkelijke inzet te Amersfoort de Congregatie van de Zusters van St. Jozef gesticht werd. Het Moederhuis van de Zusters staat nog steeds in Amersfoort aan de Barchman Wuytierslaan. Deze Congregatie heeft zich in de loop van haar bestaan o.a. toegelegd op de verzorging van zieken en bejaarden, thuis en in inrichtingen. Deze 'Amersfoortse' Congregatie heeft in het begin van de dertiger jaren een nieuw werk - terrein gevonden in de missie.
In 1877 werd pastoor Blom Deken en Kannunik, in 1882 Geheim Kamerheer, tot vreugde van alle Amersfoorters, katholieke of niet. Op 23 juli 1884 is mgr. Blom overleden.

De bisschoppelijkè hiërarchie werd begin maart 1853 hersteld. Mgr. Zwijsen van 's Hértogenbosch werd aartsbisschop en voerde geleidelijk aan een groot aantal vernieuwingen door.
Zo werden de vroegere staties canoniek tot parochies verheven. Als een van de laatste plaatsen was Amersfoort aan de beurt. Het is een verhaal op zich, een verhaal waar 't Zand en de Elleboog beide belanghebbenden waren. In juli 1854 schreef Blom aan de aartsbissschop: 'Daar het moeyelyk zal zijn voor de beide Pastoors te Amersfoort om zich onderling te verstaan omtrent een plan van scheiding hunner gemeenten". . . Deken de Beer uit Eemnes bereidde namens de bisschop die scheiding voor. De grens kon het beste gevormd worden door het water van de Eem, het Spui, de Lange en de Korte Gracht, een natuurlijke grens. 

Het westelijke stadsdeel telde bijna 5300 en het oostelijke deel ruim 7100 inwoners. Het deel met de minste inwoners zou de Elleboog gaan omvatten. Wennekendonk vond dat geen verhouding. Blom vond dat 't Zand groter dan de Elleboog zou moeten zijn, want: a. 't Zand was de grootste en de oudste gemeente; b. 't Zand zou 2/3 van de katholieken dienen te omvatten; c. èn 't Zand had een schuld van fl. 46.000,-- en de Elleboog 'voorzover mij bekend, weinig of geen schulden: Daar diende een grotere opbrengst tegenover te staan, vond Blom. Later schreef Blom aan Zwijsen dat de deken vroeger een graag geziene gast was in zijn pastorie. In bedekte termen liet hij doorschemeren dat de deken door de welsprekende Wennekendonk wel eens tot een gewijzigde zienswijze kon zijn gekomen. 

7 Februari 1855 werd de grens (in de stad): Eem, Spui, Nieuwe Weg, Havik, Vijver, Hof, Nieuwstraat, Schoutensteeg, Zuid singel, St. Andriesstraat, Heiligenbergerweg; oostelijk daarvan 't Zand, westelijk de Elleboog. En daarmee basta!
Maar wat heet basta? Wennekendonk bleek het er nog helemaal niet mee eens te zijn. Hij maakte een minitieus nauwkeurig adresboek van de parochie en vroeg aan de aartsbisschop een stukje binnenstad erbij waar 275 'zielen' woonden. 29 Juli 1859 schreef Zwijsen aan de pastoor van de 'B.M.V.' (Beata Mariae Virgine) dat de gemaakte verdeling niet billijk genoemd kan worden en dat er redenen waren om op die beslissing terug te komen.
Wennekendonk wilde ter wille van de lieve vrede niet op die verandering aandringen, maar zijn opvolger behield het recht hierop terug te komen. En met de wijsheid, dat de tijd de beste bondgenoot van O.L. Heer is, ging deze emotionele zaak de eeuwigheid in. Emotioneel was die parochieverheffing zeer zeker. Ook de gelovigen kregen er mee te maken.

Juni 1855 bedankte een van de kerkmeesters op de Langegracht. Er werd een voordracht van twee personen samengesteld (ook nu nog gebruikelijk) en deze werd naar Utrecht gezonden. Wennekendonk deed er een briefje bij: 'Monseigneur. Bij de beklagelijke spanning en wryving der gemoederen, die hier bestaat en ongelukkig nog steeds toeneemt, is het niet mogelijk, eene andere voordragt dan nevenstaande in te zenden. Het ontbreekt in mijne parochie wel niet aan geschikte personen voor het Kerkbestuur, doch als oud-gemeentenaren van S.D.G. (Soli Deo Gloria = 't Zand) zijn zij weigerachtig om Kerkmeester van mijne parochie te worden. Onder deze behoort ook de voorgedragen kandidaat de heer Fock'.

Zandgerichte families moesten, wanneer zij binnen de grenzen van de Elleboog woonden, naar die kerk; maar ook het tegenovergestelde diende te gebeuren. Er zijn vele voorbeelden van te geven en tientallen namen te noemen. De ongunstige ligging van de beide kerkgebouwen vertraagde het proces van naar-de-eigen-kerk-gaan. En ondanks de dwang die uitgeoefend werd op de verknochte Zanders en Ellebogers bleven ze naar de kerk van hun voorkeur gaan. De grensscheiding was nodig om tot echte parochies te komen, dat wel, maar een sinds mensenheugenis bestaande vrije keuze, traditie en verbondenheid konden niet door een paar prachtige zinnen in het oprichtingsdekreet ongedaan worden gemaakt.
Het mes sneed diep in het vlees van de katholieke Amersfoorters. De wonden genazen maar heel langzaam en toen Zand en Elleboog samengevoegd werden, begonnen de littekens toch weer te jeuken.
De ongunstige ligging van de beide kerken op nog geen 250 meter afstand droeg er ook toe bij dat de pastoors en hun medebestuurders elkaar nauwlettend in de gaten hielden, zoals zakenmensen gewoon zijn te doen.

Een paar voorbeelden daarvan:

't Zand

1851 kerk kruisvormig verlengd door Th. Molkenboer uit Leiden
1856 nieuwe kap en trap voor de preek
stoel
1864 orgel door Maarschalkerweerd verbeterd
en dat ging in latere jaren door:
1930 stoelen door banken vervangen
1956 Parochieblad 'De Zandkorrel'

De Elleboog

1846 kerk kruisvormig verlengd
eveneens door Molkenboer
1856 nieuwe preekstoel van Cuijpers

1863 nieuw orgel van Witte en Co, Utrecht

 

1922 stoelen door banken vervangen

1957 parochieblad 'D'Elleboog'

 

LATERE HISTORIE IN VOGELVLUCHT

De woelige tij den waren voorbij, rustig is de tijd die volgde. Amersfoort lag nog binnen de kring van wallen en singels, eerst na 1900 volgde de snelle uitbouw naar buiten. Bijna ongemerkt ontwikkelde zich 't Zand tot een moderne parochie. De bijzonderheden daarvan behoren nog niet tot de historie en passen dus niet in dit overzicht. Volledigheidshalve volgen hier de namen der pastoors die de overgang meemaakten, zo schreef Van de Pas in 1952.

Mgr. Blom werd opgevolgd door pastoor J.L. van den Bosch die op 30 april 1891 stierf, dan volgde Martinus Berk van 5 mei 189 I tot 5 februari 1907. Pastoor Joannes Liborius Hoorneman heeft van 8 maart 1907 tot 3 december 1920 een veelbewogen tijd meegemaakt, de eerste wereldoorlog.
In 1918 werd de St. Josephparochie van Hooglanderveen opgericht, een gedeelte van 't Zand werd daar bijgevoegd. Tijdens pastoor Hoorneman - van september 1911 tot 28 april 1912 - is Zijne Eminentie Kardinaal De Jong in St. Franciscus Xaverius werkzaam geweest. In het begin van december 1920 deelde pastoor Hoorneman mede, dat de zorg voor de grote parochie hem te zwaar viel, hij had overplaatsing gevraagd en was benoemd tot pastoor te Groessen. 't Zand betreurde dit heengaan. Want men had grote liefde voor deze voorbeeldige herder.
In zijn plaats kwam de directeur van Rijsenburg, Com. Hartman, wederom een priester van groot formaat. Wat hij voor 't Zand is geweest, kan moeilijk in enkele regels worden samengevat. Geboren Eemlander als hij was, kende hij Amersfoort en de uitgestrekte, volkrijke parochie van 't Zand leerde hem spoedig kennen als een scherpe, rusteloze geest die in alles belang stelde en als een aan zijn parochie met hart en ziel toegewijde herder. Zijn parochie wist hem ook te vinden, de drukke spreekkamer en de belegerde biechtstoel getuigden daarvan. Vooral de armen wisten de weg, pastoor Hartman was van zijn bezittingen niet alleen de beheerder, maar ook de grootmoedige uitdeler.
Maar deze forse gestalte werd ondermijnd door een hardnekkige kwaal, die zijn, activiteit remde; dit hinderde hem meer dan hij kon zeggen. Ze was pijnlijk bovendien; zodat zijn woorden soms scherp werden en zijn  zelfbeheersing op een zware proef is gesteld. Ze heeft hem tenslotte gebroken, kort nadat hij deken en kanunnik was geworden, is pastoor Hartman in augustus 1935 overleden, nauwelijks 56 jaar oud.

Deken Hartman werd op zijn beurt opgevolgd door W.A. Oostveen (23 augustus 1935). Een strenge, doch uitermate gelovige herder. Een man die regels hanteerde en daar strak de hand aan hield. Rust en orde in de kerk waren voor hem noodzakelijke voorwaarden de 'Mis te horen met goede manieren'. Nauwelijks zeven jaar later, op 11 februari 1942, stierf hij.
Daarna kwam op 6 maart pastoor Xaverius Franciscus Henricus Reijers naar de aloude parochie van 't Zand. Tijdens zijn pastoraat begonnen zich de eerste tekenen van op handen zijnde veranderingen in godsdienstig en pastoreel opzicht aan te dienen.
Binnen de bestaande parochie werden nieuwe wijken gebouwd (Jeruzalem, Jericho, Zeeheldenkwartier en later Liendert). In 1956 moest de parochie een groot deel van haar grondgebied, met de katholieken die er woonden, afstaan aan de nieuw opgerichte parochie van het H. Kruis. 20 Maart 1959 ging de beminnelijke herder met emeritaat.
Op de dag dat pastoor Reijers met emeritaat ging, werd G.F.H. Veldhuis voor 't Zand benoemd (20 maart 1959). Een man met een blakende gezondheid, een organisator en inspirator. Het kerkgebouw was aan een grote opknapbeurt toe en de oud-legeraalmoezenier 'mobiliseerde' mankracht en geld. Avonden, hele zaterdagen werd er in de kerk gewit, geschilderd, opgeknapt wat op te knappen viel, gesjouwd en gezwoegd. En dat alles in een sfeer die uniek genoemd mag worden. Zijn optreden was joviaal en mede door zijn aanstekelijk werkende inzet fleurde 't Zand weer op en kreeg ook meer aantrekkingskracht. Zijn preken hadden altijd een verrassend element, hij verstond de kunst de mensen rechtstreeks aan te spreken. In de dagen rond de fusie ontstond onder een deel van de parochianen veel rumoer. Deze mensen meenden op te moeten komen voor hun pastoor, die vlak voor de fusie tot pastoor in Arnhem werd benoemd. 

De zondag daarop vierden Zanders en Ellebogers, de laatsten een beetje vreemd en onwennig, voor het eerst samen de eucharistie. De sfeer had toch iets geladens, tot op het moment dat de pastoor aan de teleurgestelde Zanders - zij vonden dat aan hun pastoor niet ten volle recht was gedaan - en de voormalige Ellebogers zei, dat het geen eenvoudig besluit was geweest en dat hij begreep dat velen er vanuit hun eigen traditie en situatie moeite mee hadden. Toch duurde het nog geruime tijd voordat het rumoer op 't Zand verstomde. En nu afstand is genomen van deze ingrijpende operatie mag wel worden vastgesteld, dat de fusie in pastoreel en financieel opzicht voor de nieuwe binnenstadsparochie van Amersfoort zegenrijk is geweest.

Aan de nadien ingetreden landelijke daling van het kerkbezoek en de ontvolking van de binnenstad is 't Zand evenmin ontkomen. Een paar getallen tonen dit aan. In 1963 5000 parochianen, 1965 -4600, 1970-3700, 1975 - 2900, 1980- 2500. En ook de cijfers van het aantal kerkbezoekers daalde aanzienlijk: 1967-2400,1968-1900,1969-1500,1970_1150, 1972-700, (gemiddeld 400 per jaar!), 1973-675, 1974-610 en daarna schommelt - mede door de komst van het omroeppastoraat - het kerkbezoek rond de 700-750 personen.

Begin 1974 kwam de KRO met de vraag om vanuit onze kerk om de veertien dagen de eucharistieviering via de televisie te mogen uitzenden en in de parochie haar Omroeppastoraat te vestigen.
De bijna pensioengerechtigde pastor Van Leer wilde dat hierover door een grote groep parochianen gepraat zou worden en ook dat alle parochianen de kans moesten krijgen zich over dit kansrijke aanbod uit te spreken. Na zorgvuldig overleg binnen en buiten de parochie heeft 't Zand de kans gegrepen vooral de geestelijke basis te verbreden, want dat is wel de meest verheugende en waardevolle ontwikkeling gebleken na de komst van het KRO-Omroeppastoraat. 

Kenmerkend voor de 'periode Van Leer' zijn de twee 'huwelijken' die werden gesloten: dat van 't Zand en Elleboog en dat van 't Zand met de KRO. 'Een 'gedwongen' huwelijk kan toch gelukkig worden en ook een niet-gedwongen huwelijk kan gelukkig zijn', zegt de 'scheidende' pastor er zelf van.


KEERPUNT IN DE GESCHIEDENIS

Deze kroniek van 't Zand omspande de periode 1630-1980, waarin de ene pastoor de andere opvolgde. De pastoor was de hoogste kerkelijke gezagsdrager in de parochie en door de kerkelijke struktuur was hij vaak een solist, die alleen de verantwoordelijkheid droeg voor de uitgeoefende zielzorg. In zekere zin is deze kroniek een verhaal van pastoors.

Met deze kroniek wordt een eeuwenlange, onafgebroken traditie afgesloten. Wat 't Zand betreft is tijdens het pastoraat van G.C.M. van Leer het keerpunt gekomen. De laatste herder in de oude traditie is ook de drager en inspirator geworden bij het zetten van de eerste stappen in de nieuwe tijd.; de tijd waarin de betrokkenheid en de verantwoordelijkheid van de leek tot ontwikkeling kwamen! De periode van het Volk Gods dat samen onderweg wilde gaan, brak aan en het begrip 'Samen Kerk' krijgt steeds meer gestalte.
Zo'n kleine 18 jaar geleden las de eerste lector, een beetje verdekt opgesteld naast de preekstoel, via de geluidsinstallatie het epistel in het Nederlands voor. Geleidelijk aan kregen leken belangstelling voor liturgie en werden ingeschakeld bij de voorbereiding en uitvoering. Nu is er een liturgische werkgroep met vele sekties die ieder een taak hebben en die uitvoeren vanuit hun eigen verantwoordelijkheid.
De zangkoren - vroeger vaak een eigen leven leidend op de zangzolder -, het kerkbestuur en andere groeperingen praten niet alleen over muziek of over financieel beheer; ze zijn ook mede-parochianen en voelen zich verantwoordelijk voor hetgeen binnen de parochie gebeurt.
Het parochieblaadje, destijds een verlengstuk van de preekstoel, groeide tot een onafhankelijk orgaan van en voor de parochie.
Het 'imprimatur': het mag gedrukt worden, werd niet gegeven op basis van de ingeleverde kopij, maar in het vertrouwen dat de pastores hadden in hun mensen. Het archief-beheer - vroeger nog geheimer dan het biechtgeheim -, het bijhouden van parochieregisters - daar kwam zelfs de kapelaan niet aan te pas -, wordt nu door parochianen gedaan. In de Parochieraad is de verantwoordelijkheid voor de beleidsplanning en -uitvoering mede in
handen van de gelovigen gelegd. In de relatie met de KRO en Omroeppastoraat vormen de pastores een eigen groep naast andere groeperingen die daar nauw bij betrokken zijn. En wat er elk seizoen avond aan avond in talrijke gesprekskringen niet alleen wordt afgepraat, maar waar mensen elkaar ook bemoedigen, ervaringen doorgeven en helpen; het zijn evenzovele hoopvolle tekenen die in de nieuwe fase tot ontwikkeling komen.

De gelovigen die de kerk bezoeken willen naast de eucharistieviering ook samen praten over hete hangijzers die in de verkondiging niet of nauwelijks aan bod komen. Dit laatste gebeurt elke maand op een zondagavond in het Politiek Avondgebed. Mede daardoor zijn ook vele andersdenkenden zich op 't Zand gaan thuisvoelen. De parochIe is niet meer een kerkrechtelijk, tussen grenzen omsloten, stukje Amersfoort. De kerkbezoekcrs komen voor twee/derde van buiten dit gebied. 'De Zandloper', het informatiebulletin gaat wekelijks naar tientallen gezinnen in ons land.

Dat 'nieuwe' Zand viert haar 350-jarig bestaan als parochiegemeenschap. Een moment om even bij stil te staan, in dankbaarheid te overzien, om daarna weer terug te keren naar het nu èn de toekomst. Heel lang is 't Zand een 'landelijke' parochie geweest (17e en 18e eeuw) en een 'boerenparochie' (begin deze eeuw) genoemd. 't Zand is een gewone, een gemiddelde parochie gebleven, die naast vele titels in de loop van de jaren, nu een 'landelijke parochie', de 'Omroepparochie' wordt genoemd.
Een eretitel? Verre van daar. Het is een bewuste keuze, een uitdaging om aan de, aloude Boodschap nieuwe inhoud en vorm te helpen geven. Met eigentijdse middelen, in verstaanbare taal, voor de mensen van nu!

Wanneer rond het jaar 2000 een kroniek van 't Zand wordt samengesteld, dan zal die hopelijk net zo eindigen als waarmee deze begon: 'De geschiedenis van een parochie kan ook, door omstandigheden, de weerspiegeling zijn van het katholieke leven, niet alleen in die parochie, maar het gehele bisdom, van de gehele Kerkprovincie'.

 

Henk Kuiper 26 september 1980

Geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius - 't Zand 31, 3811 GB Amersfoort.
Bereikbaar iedere werkdag van 9.00-12.00 u. tel 033 4721705, of 
email.
Voor dringende pastorale zorg kunt u bellen naar: 06-57541222.